
Het nieuwste programma van The Royal Wind Music ging op 28 maart 2010 in première in de Kleine Zaal van het Concertgebouw te Amsterdam. Angeli, Zingare e Pastori is een collectie van meesterwerken uit Venetië, Napels, Milaan, Bologna en Rome, belangrijke Italiaanse muzikale centra in de 16e en 17e eeuw. Motetten, madrigalen en ingenieuze instrumentale muziek van grootmeesters als Giovanni Perluigi Palestrina en Andrea Gabrieli worden afgewisseld met werk van minder bekende componisten als Alessandro Orologio en Ruggiero Giovanelli. De muziek is feestelijk, galant en vol sprankelende virtuositeit.
Muziek van Frescobaldi, Gabrieli, Palestrina, Rossi, Trabaci en anderen.

Muziek uit het Iberisch schiereiland was zo populair tijdens de 16e en 17e eeuw, dat zij gekopieerd en uitgevoerd werd in Italië, Frankrijk, Duitsland, de Nederlanden, Engeland en zelfs Mexico. Hoewel niet het alleenrecht hebbende, was het Koninklijk Hof in Madrid het centrum van alle muzikale activiteit in Spanje. Deze Capilla Real had 30 tot 40 man in dienst; naast zangers en componisten waren er musici die toetsinstrumenten, harp, viola da gamba en diverse blaasinstrumenten bespeelden. De Capilla voorzag muziek voor alle religieuze en wereldlijke gelegenheden aan het hof. Toen keizer Karel I voor het eerst Spanje betrad in 1517, werd hij vergezeld door zijn eigen kapel, die voornamelijk bestond uit Vlaamse zangers. Deze hielden zich met name bezig met de muzikale omlijsting van Missen en andere kerkelijke diensten. De Vlaamse musici waren verantwoordelijk voor vocale geestelijke muziek terwijl Spaanse musici werden aangesteld voor instrumentale taken. Buiten Madrid waren er actieve capillas te vinden in diverse kathedralen en kloosters. Met name in de steden Valladolid, Segovia, Burgos, Palencia, El Escorial, Barcelona, Valencia en Sevilla kwam het muziekleven tot grote bloei.
Muziek van o.a. Cabezón, Guerrero, Morales en Desprez.

De Amsterdamse uitgever Paulus Matthysz drukte de variaties van de blinde Nederlandse blokfluitist en beiaardier Jacob van Eyck (ca.1590-1657) op het moment dat de verf van Rembrandts ‘Nachtwacht’ nog nauwelijks droog was. Deze bundel vormt de grootste collectie muziek voor een solo-instrument in de westerse geschiedenis. Dit programma kan worden beschouwd als een blauwdruk van de zeventiende-eeuwse compositiepraktijk, waarvoor de melodieën in de verzameling van Jacob van Eyck als uitgangspunt zijn gebruikt. Het was onder musici in de zeventiende eeuw gebruikelijk een nieuwe bewerking te maken van een bestaande melodie. Men deed dit op verschillende wijzen: door tegenstemmen te schrijven en zo polyfonie toe te voegen, of door een nieuwe tekst te schrijven bij een bestaande melodie en zo een ‘contrafact’ te creëren. De composities, gebaseerd op een bestaande of nieuw gecomponeerde melodie, kunnen worden beschouwd als arrangementen van psalmen, liederen en danswijsjes. Deze melodieën beslaan een groot deel van het immens grote repertoire aan melodieën in Nederlandse lied- en danscollecties uit de zeventiende eeuw.
Muziek van o.a. Sweelinck, Dowland, Brade, Scheidt en J.S. Bach.